euvelmoed

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • eu·vel·moed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord euvelmoed
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

euvelmoed m [2]

  1. kwaadwilligheid, boosheid
     Hij kan bedoelen: omdat God weet dat mijn vervolgers uit euvelmoed en zonder oorzaak mij vervolgen, zal God ter wille van Zijn gerechtigheid dit aan hen bezoeken en hen straffen (vers 12).[3]
  2. baldadigheid
  3. vermetelheid

Gangbaarheid

46 % van de Nederlanders;
44 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. euvelmoed op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Bronlink Weblink bron “Uw gerechtigheid” (19-07-2013), Reformatorisch Dagblad
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be