uitlokken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·lok·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitlokken
lokte uit
uitgelokt
zwak -t volledig

Werkwoord

uitlokken

  1. verleiden, veroorzaken, iets of iemand iets laten doen
    De krasse uitspraken van de politicus lokte heftige kritiek uit.