lekker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lek·ker
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘aangenaam van smaak of geur’ voor het eerst aangetroffen in 1350 [1] [2] [3]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen lekker lekkerder lekkerst
verbogen lekkere lekkerdere lekkerste
partitief lekkers lekkerders -

Bijvoeglijk naamwoord

lekker

  1. aangenaam van smaak
  2. aangenaam in het algemeen
     Iedere avond sloop hij stilletjes naar de stal, rolde zich in een paardedeken en sliep lekker in het stro.[4]
     We hadden allebei onze trailfamilie verlaten en genoten nu van het alleen lopen, lekker overzichtelijk, zonder drama’s en gedoe.[5]
  3. gezond
     Zij voelde zich niet helemaal lekker, dus we hebben besloten dat het beter is dat iedereen thuisblijft.[6]
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • veilig en lekker gemakkelijk
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[7]

Verwijzingen

  1. "lekker" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. lekker op website: Etymologiebank.nl
  3. lekker op website: Etymologiebank.nl
  4. Marijke van Raephorst op Wikipedia “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat op Wikipedia, p. 11
  5. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  6. Bronlink Weblink bron Charlotte Huisman “Wie neemt er nog de trein op een stil Utrecht Centraal?” (13 maart 2020), de Volkskrant
  7. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Nedersaksisch

Bijvoeglijk naamwoord

lekker

  1. lekker; aangenaam van smaak


Veluws

Bijvoeglijk naamwoord

lekker

  1. lekker; aangenaam van smaak