lekkers

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lek·kers
Woordherkomst en -opbouw

Bijvoeglijk naamwoord

lekkers

  1. partitief van de stellende trap van lekker
    • Ik heb trek in iets lekkers! 
enkelvoud meervoud
naamwoord lekkers -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

lekkers o

  1. snoepgoed
    • Wie zoet is krijgt lekkers! 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.