afkrijgen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·krij·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afkrijgen
kreeg af
afgekregen
klasse 1 volledig

Werkwoord

afkrijgen

  1. overgankelijk erin slagen iets te voltooien
    • Ik heb het gelukkig net op tijd afgekregen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be