loskrijgen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • los·krij·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
loskrijgen
kreeg los
losgekregen
klasse 1 volledig

Werkwoord

loskrijgen

  1. overgankelijk erin slagen een verbinding te verbreken
    • Ik zou niet weten hoe ik die knoop los kan krijgen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.