krijg

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • krijg
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘oorlog’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord krijg krijgen
verkleinwoord krijgje krijgjes

Zelfstandig naamwoord

krijg m

  1. (militair) een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
krijgen

krijg

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van krijgen
    • Ik krijg. 
  2. gebiedende wijs van krijgen
    • Krijg! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van krijgen
    • Krijg je? 
     Ik had geen trail name want die verzin je niet zelf, die krijg je op de trail van een mede-hiker.[2]

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen