binnenkrijgen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bin·nen·krij·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
binnenkrijgen
kreeg binnen
binnengekregen
klasse 1 volledig

Werkwoord

(scheidbaar)
binnenkrijgen

  1. iets ongewild inslikken
    • De drenkeling had veel zout water binnengekregen. 
  2. iets ontvangen, bijvoorbeeld per post
    • Hij had zijn uitkering nog niet binnengekregen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

Vertalingen