kachel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ka·chel
enkelvoud meervoud
naamwoord kachel kachels
verkleinwoord kacheltje kacheltjes

Zelfstandig naamwoord

kachel v/m

  1. een apparaat waarin energie wordt omgezet in warmte met de bedoeling een ruimte te verwarmen
    • De kachel had de hele nacht aangestaan. 
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
stellend
onverbogen kachel
verbogen (alleen
predicaat)

Bijvoeglijk naamwoord

kachel

  1. (informeel) dronken
    • Ik ben kachel. 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie