input

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·put
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘wat toegevoerd wordt’ voor het eerst aangetroffen in 1970 [1]
  • van het Engels input [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord input inputs
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

input m

  1. bijdrage aan een proces of product
  2. (informatica) invoer, toevoer
  3. (techniek) energie of signaal dat ergens toegevoerd wordt
Antoniemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·put
Woordherkomst en -opbouw
  • van het Middelengels inputten; op te vatten als een samenstelling van in en put, dus "instoppen, ingestopte", het woord heeft in de 20e eeuw grote verbreiding gevonden als een van de basisbegrippen uit de systeemleer
enkelvoud meervoud
input inputs

Zelfstandig naamwoord

input

  1. bijdrage aan een proces of product
  2. (informatica) invoer, toevoer
  3. (techniek) energie of signaal dat ergens toegevoerd wordt
Overerving en ontlening


Slowaaks

Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels

Zelfstandig naamwoord

input m

  1. (informatica) input; invoer, toevoer
  2. (techniek) input; energie of signaal dat ergens toegevoerd wordt
Synoniemen
  1. vstup m
  2. vstup m

Meer informatie


Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·put
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels

Zelfstandig naamwoord

input monbezield

  1. (informatica) input; invoer, toevoer
  2. (techniek) input; energie of signaal dat ergens toegevoerd wordt
Verbuiging
Synoniemen
  1. vstup monbezield
  2. vstup monbezield
Antoniemen
  1. výstup monbezield, output monbezield
  2. výstup monbezield, output monbezield

Meer informatie

Verwijzingen