output

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • out·put
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘uitvoer’ voor het eerst aangetroffen in 1970 [1]
  • van het Engels [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord output outputs
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

output m

  1. (informatica) uitvoer
  2. (techniek) energie of signaal dat ergens uitkomt
Antoniemen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Slowaaks

Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels

Zelfstandig naamwoord

output m

  1. (informatica) output; uitvoer
  2. (techniek) output; energie of signaal dat ergens uitkomt
Synoniemen
  1. výstup m
  2. výstup m
Antoniemen
  1. vstup m, input m
  2. vstup m, input m

Meer informatie


Tsjechisch

Woordafbreking
  • out·put
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels

Zelfstandig naamwoord

output monbezield

  1. (informatica) output; uitvoer
  2. (techniek) output; energie of signaal dat ergens uitkomt
Synoniemen
  1. výstup monbezield
  2. výstup monbezield
Antoniemen
  1. vstup monbezield, input monbezield
  2. vstup monbezield, input monbezield

Meer informatie