beren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • be·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘schulden maken’ voor het eerst aangetroffen in 1898 [1]
  • [2] [3]


stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beren
beerde
gebeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

beren

  1. onovergankelijk schreeuwen [4] [5]
  2. overgankelijk bemesten [6]
Hyponiemen

Werkwoord

vervoeging van
berennen

beren

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van berennen
    • Ik beren. 
  2. gebiedende wijs van berennen
    • Beren! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van berennen
    • Beren je? 

Zelfstandig naamwoord

beren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord beer

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen