hypotheek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hy·po·theek
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘geldlening voor onroerend goed’ voor het eerst aangetroffen in 1503 [1]
  • afgeleid van het Griekse 'tithénai' (stellen, leggen)
  • met het voorvoegsel hypo- en met het achtervoegsel -theek [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord hypotheek hypotheken
verkleinwoord hypotheekje hypotheekjes

Zelfstandig naamwoord

hypotheek v [3]

  1. een geldsom met een onroerend goed als pand
    • We zijn al jaren bezig met het aflossen van onze hypotheek. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen