hypotheek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hy·po·theek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hypotheek hypotheken
verkleinwoord hypotheekje hypotheekjes

Zelfstandig naamwoord

hypotheek v [2]

  1. een geldsom met een onroerend goed als pand
    • We zijn al jaren bezig met het aflossen van onze hypotheek. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen