hoes

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hoes
enkelvoud meervoud
naamwoord hoes hoezen
verkleinwoord hoesje hoesjes

Zelfstandig naamwoord

hoes v/m

  1. een bescherming die om een -meest vlak- voorwerp wordt aangebracht
    Op de hoes van deze plaat stond de zanger afgebeeld.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Afrikaans

stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
hoes
gehoes
volledig

Werkwoord

hoes

  1. hoesten


enkelvoud meervoud
naamwoord hoes hoesse
hoeste

Zelfstandig naamwoord

hoes

  1. hoest


Limburgs

Uitspraak
  • [1,2,3] IPA: /(x)huːs/ (Etsbergs)
  • [4] IPA: /(x)hus/ (Etsbergs)

Zelfstandig naamwoord

hoes [1,2,3] o [4] m

  1. huis
  2. gebouw
  3. kerk
  4. hoes
Verbuiging

[1,2,3]

[4]