hoes

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hoes
enkelvoud meervoud
naamwoord hoes hoezen
verkleinwoord hoesje hoesjes

Zelfstandig naamwoord

hoes v/m

  1. een bescherming die om een -meest vlak- voorwerp wordt aangebracht
    Op de hoes van deze plaat stond de zanger afgebeeld.
Afgeleide begrippen
Vertalingen


Afrikaans

stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
hoes
gehoes
volledig

Werkwoord

hoes

  1. hoesten


enkelvoud meervoud
naamwoord hoes hoesse
hoeste

Zelfstandig naamwoord

hoes

  1. hoest


Limburgs

Uitspraak
  • [1,2,3] IPA: /(x)huːs/ (Etsbergs)
  • [4] IPA: /(x)hus/ (Etsbergs)

Zelfstandig naamwoord

hoes [1,2,3] o [4] m

  1. huis
  2. gebouw
  3. kerk
  4. hoes
Verbuiging

[1,2,3]

[4]