herberg

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • her·berg
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Middelnederlandse herberghe, een samenstelling van heer (leger) en bergen, dus "een plaats waar een leger geborgen wordt". Verwant met het Engelse harbour of harbor. "Heer" in de betekenis van leger vindt men ook terug in hertog (legerleider), heerweg of heirbaan (legerweg), en heerman (soldaat). [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord herberg herbergen
verkleinwoord herbergje herbergjes

Zelfstandig naamwoord

herberg v/m

  1. een eenvoudig hotel
    • Hij verbleef die nacht in een herberg. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
herbergen

herberg

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van herbergen
    • Ik herberg. 
  2. gebiedende wijs van herbergen
    • Herberg! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van herbergen
    • Herberg je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl