hostel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

hostel
Uitspraak
Woordafbreking
  • hos·tel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hostel hostels
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

hostel o

  1. (horeca), (toerisme) goedkope en eenvoudige eet- en slaapgelegenheid, vooral gebruikt door reizende jongeren en trekkers
    • Renée Meijer (21) wandelde gisterochtend nietsvermoedend een hostel in het Vietnamese Phong Na uit, toen haar oog viel op acht schattige puppy's. ,,Ik zag nergens een moederhond, maar wilde de puppy's graag aaien. Toen bleek de moederhond achter me te staan en beet ze in mijn kuit." [2] 
    • Een digital nomad moet één ding onthouden: ,,Je bent niet op vakantie. Omdat het er zoveel van weg heeft, ga je je wel zo gedragen. Dat is niet altijd even gezond. Op vakantie laten mensen vaak de teugels vieren en eten ze bijvoorbeeld vaker slecht eten. Er is ook een neiging alles zo goedkoop mogelijk te doen, waardoor je al snel in een hostel belandt. Maar daar slaap je vaak slecht, en dat komt je werk niet ten goede.’’ [3] 
    • Het Yeti-hostel in Doesjanbe, naar eigen zeggen het eerste hostel in Tadzjikistan, wijst reizigers op Facebook al op het bestaan van de toeristenpolitie. Die is 24 uur per dag bereikbaar via een hotline met drie speciale telefoonnummers en bemand door Engelstalige medewerkers, aldus het hostel. [4] 
    • Voor veel Nederlanders zit er niets anders op dan nog maar een dagje te blijven, ook voor Joep en Lieke uit Uden. ,,Het hostel waar ze sliepen is deels ingestort, maar ze zijn nu opgevangen in een resort aan de kust. Daar slapen ze in de tuin’’, zegt broer Max. [5] 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
hostel hostels

Zelfstandig naamwoord

hostel

  1. (horeca) jeugdherberg, hostel