horeca

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ho·re·ca
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘bedrijfsgroep van hotel-, restauranthouders e.d.’ voor het eerst aangetroffen in 1940 [1]
  • Lettergreepwoord gevormd uit de woorden hotel, restaurant en café.
enkelvoud meervoud
naamwoord horeca
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

horeca m

  1. (economie) de bedrijfstak die alle eet- en drinkgelegenheden en hotels omvat
    • De horeca is voor het overgrote deel rookvrij geworden. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen