herbergen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • her·ber·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
herbergen
herbergde
geherbergd
zwak -d volledig

Werkwoord

herbergen

  1. (overgankelijk) huisvesten
    Door het noodweer was hij verplicht om de hele wandelgroep in zijn huis te herbergen.
  2. (overgankelijk) tot verblijf dienen
    Die kom herbergt vier vissen, wat erg uitzonderlijk is.
  3. (overgankelijk) bevatten
    Voor zo'n dun boek herbergt het erg veel informatie.
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

herbergen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord herberg