herbergier

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • her·ber·gier
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord herbergier herbergiers
verkleinwoord herbergiertje herbergiertjes

Zelfstandig naamwoord

herbergier m

  1. (beroep) iemand die een herberg exploiteert
    • De oude herbergier overleed twee weken geleden. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl