herbergier

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • her·ber·gier
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord herbergier herbergiers
verkleinwoord herbergiertje herbergiertjes

Zelfstandig naamwoord

herbergier m

  1. (beroep) iemand die een herberg exploiteert
    De oude herbergier overleed twee weken geleden.
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl