hertog

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
enkelvoud meervoud
naamwoord hertog hertogen
verkleinwoord hertogje hertogjes
Woordafbreking
  • her·tog

Zelfstandig naamwoord

hertog m

  1. (adel) geschiedkundige term voor een landsheer, oorspronkelijk van een hoger hiërarchisch niveau dan de graaf, de heerser in een hertogdom
Vertalingen