huiselijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hui·se·lijk
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van huis met het achtervoegsel -lijk met het invoegsel -e-
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen huiselijk huiselijker huiselijkst
verbogen huiselijke huiselijkere huiselijkste
partitief huiselijks huiselijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

huiselijk

  1. knus en gezellig
    • In het ziekenhuis wilde men een huiselijke sfeer hebben. 
  2. wat thuis in de privésfeer gebeurt
    • Veel geweld speelt zich af in de huiselijke sfeer. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.