besmettingshaard

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·smet·tings·haard
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord besmettingshaard besmettingshaarden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

besmettingshaard m

  1. het centrale punt/gebied waar de besmetting optreedt
    • De besmettingshaard van de ziekte is in dat gebied niet meer opgemerkt. 

Gangbaarheid