grip

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • grip
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord grip grippen
verkleinwoord gripje gripjes

Zelfstandig naamwoord

grip m

  1. een sterk contact tussen twee oppervlakken waardoor slippen of glijden bemoeilijkt wordt
  2. een functie uit de filmwereld met diverse taken, zoals opbouw, transport, opbouw camera en het duwen van de dolly
Synoniemen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1] Grip hebben op iets.
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Turks

Zelfstandig naamwoord

grip

  1. griep, influenza.
Synoniemen


Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl