grijpen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
grijpen grijpend
grip gegrepen
greep
Uitspraak
Woordafbreking
  • grij·pen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘pakken’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • van Middelnederlands gripen[2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
grijpen
greep
gegrepen
klasse 1 volledig

Werkwoord

grijpen [3]

  1. plotseling iets of iemand beetpakken
    • Hij wist snel de peuter te grijpen voor deze in de kolkende rivier viel. 
  2. met kracht iets pakken
     Op 14 juli 2014 demarreert Nibali op drie kilometer voor de top. De Siciliaan grijpt de leiderstrui en staat die niet meer af.[4]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • De gelegenheid bij de haren grijpen of pakken
  • De koe bij de horens grijpen (pakken of vatten)
  • Grip / greep op iets krijgen
  • Iemand bij de kladden grijpen
Iemand bij zijn kleren grijpen
  • Van de gaffel in de greep vallen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

grijpen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord grijp

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

Meer informatie

Verwijzingen