grijpen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
grijpen grijpend
grip gegrepen
greep
Uitspraak
Woordafbreking
  • grij·pen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
grijpen
greep
gegrepen
klasse 1 volledig

Werkwoord

grijpen

  1. plotseling iets of iemand beetpakken
    Hij wist snel de peuter te grijpen voor deze in de kolkende rivier viel.


Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen