grijpen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
grijpen grijpend
grip gegrepen
greep
Uitspraak
Woordafbreking
  • grij·pen
Woordherkomst en -opbouw
  • van Middelnederlands gripen[1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
grijpen
greep
gegrepen
klasse 1 volledig

Werkwoord

grijpen

  1. plotseling iets of iemand beetpakken
    Hij wist snel de peuter te grijpen voor deze in de kolkende rivier viel.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl