neergooien

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • neer·gooi·en
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

neergooien [2]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
neergooien
gooide neer
neergegooid
zwak -d volledig
  1. overgankelijk op een onzorgvuldige wijze iets op de grond smijten
    • De jonge Bert Tanke liep ook regelmatig mee naar de plaats waar de man het bedrijfsafval dumpte. „Het was destijds een grasveld met een hek ervoor. Die man vertelde dan dat hij de troep er van de KNKS mocht neergooien. Daar is ie zeker een paar jaar mee bezig geweest.” En het is er al die jaren blijven liggen, stelt hij vast. Dat nu die verontreiniging is aangetroffen, verbaast hem dan ook niks. [3] 
    • Het zou helpen als mensen stilstaan bij waar ze hun afval neergooien. [4] 
Synoniemen
Antoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • het bijltje erbij neer gooien
stoppen met werken of iets proberen; opgeven
  • De korting voelt voor de circa vijftig vrijwilligers die bij het museum betrokken zijn als een klap in het gezicht. Santman: „Zelf zijn we altijd zuinig geweest op de centen en proberen we de werkzaamheden zoveel mogelijk zelf uit te voeren. Naar ons gevoel zijn we één van de grootste musea uit de regio en daar zijn we trots op. Ik zeg niet dat we nu het bijltje erbij neergooien, maar het wordt wel lastig op deze manier.” [5]
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen