futurum

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fu·tu·rum
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord futurum futura
futurums
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

futurum o

  1. (grammatica) aanduiding voor handelingen die zich in de toekomst afspelen en voor de vorm die het werkwoord krijgt als de handeling die het uitdrukt zich in de toekomst afspeelt
    • Zo zal een Franstalige moeten leren dat het Nederlands voor het futurum een eigen hulpwerkwoord heeft, maar ook dat het futurum in het Nederlands veel minder gebruikt wordt dan in het Frans. [3]
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

52 % van de Nederlanders;
59 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Latijn

Zelfstandig naamwoord

futurum o

  1. toekomst
  2. vorm van het werkwoord die in het Latijn zowel de actieve als passieve onvoltooid toekomende tijd aangeeft
    amabit = hij zal beminnen
Synoniemen
Verwante begrippen
Verbuiging



Tsjechisch

Uitspraak
  • IPA: /fʊtuːrʊm/
Woordafbreking
  • fu·tu·rum

Zelfstandig naamwoord

futurum o

  1. (grammatica) toekomende tijd
Verbuiging
Synoniemen

Verwijzingen


Zweeds

Uitspraak
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   futurum     futurumet          
genitief   futurums     futurumets          

Zelfstandig naamwoord

futurum o

  1. (grammatica) toekomende tijd

Meer informatie