toekomst

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • toe·komst
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord toekomst toekomsten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

toekomst v

  1. de tijd die komen gaat
    • In de toekomst zullen robots al het werk gaan doen. 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen