fraude

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • frau·de
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord fraude fraudes
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

fraude v / m

  1. (juridisch) bedrog of gesjoemel door valsheid in geschrifte
    • Britse bank kreeg boete van Britse en Amerikaanse toezichthouders voor fraude met Libor-rente 
     Nu zegt de staatssecretaris dat eerst moet worden onderzocht of het terecht is dat sommigen zijn verdacht van fraude met toeslagen. "In afwachting hiervan heb ik toegezegd de pauzeknop te hanteren", staat in de Kamerbrief. De Tweede Kamer had hier al op aangedrongen bij de staatssecretaris.[4]
Hyperoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

fraude v

  1. fraude


Spaans

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

fraude m

  1. fraude