fraude

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • frau·de
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bedrog’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1294 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord fraude fraudes
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

fraude v/m

  1. (juridisch) bedrog, gesjoemel (door valsheid in geschrifte)
    • Britse bank kreeg boete van Britse en Amerikaanse toezichthouders voor fraude met Libor-rente 
     Nu zegt de staatssecretaris dat eerst moet worden onderzocht of het terecht is dat sommigen zijn verdacht van fraude met toeslagen. "In afwachting hiervan heb ik toegezegd de pauzeknop te hanteren", staat in de Kamerbrief. De Tweede Kamer had hier al op aangedrongen bij de staatssecretaris.[2]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Zelfstandig naamwoord

fraude v

  1. fraude; bedrog, gesjoemel


Spaans

Zelfstandig naamwoord

fraude m

  1. fraude; bedrog, gesjoemel