fraude

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • frau·de
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bedrog’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1294 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord fraude fraudes
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

fraude v/m

  1. (juridisch) bedrog, gesjoemel (door valsheid in geschrifte)
    • Britse bank kreeg boete van Britse en Amerikaanse toezichthouders voor fraude met Libor-rente 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Zelfstandig naamwoord

fraude v

  1. fraude; bedrog, gesjoemel


Spaans

Zelfstandig naamwoord

fraude m

  1. fraude; bedrog, gesjoemel