zwendel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwen·del
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zwendel
verkleinwoord zwendeltje zwendeltjes

Zelfstandig naamwoord

zwendel m

  1. bedrog, fraude, oplichting, flessentrekkerij, geknoei
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen


Werkwoord

vervoeging van
zwendelen

zwendel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zwendelen
    Ik zwendel.
  2. gebiedende wijs van zwendelen
    Zwendel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zwendelen
    Zwendel je?


Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl