eigenaar

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ei·ge·naar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord eigenaar eigenaars
eigenaren
verkleinwoord eigenaartje eigenaartjes

Zelfstandig naamwoord

eigenaar m

  1. iemand wiens bezit iets is
    - Hij is de eigenaar van zijn eigen huis.
    - Bewoners van de Kralingse Kettingstraat mogen de door henzelf bedachte inrichting van de straat realiseren. Ze ondertekenden deze week een zelfbeheercontract waarmee ze ‘eigenaar’ werden van een straatdeel. De bewoners, onder wie initiatiefnemer Ernest van der Kwast, gaan een parkeerterrein omtoveren tot groene speel- en ontmoetingsplek. Er komen nog vijf ‘droomstraten’.[2]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Caspar Naber 10 november 2016 NRC

Meer informatie