effect

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

[2] effecten
[3] stuiteren van een bal met een top-spin effect: de bal stuitert minder hoog op en gaat sneller vooruit
Uitspraak
Woordafbreking
  • ef·fect
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord effect effecten
verkleinwoord effectje effectjes

Zelfstandig naamwoord

effect o

  1. uitwerking, invloed, het gevolg van een handeling of gebeurtenis
    • Het is afwachten wat het effect zal zijn. 
    • De aanpassing bracht niet het gewenste effect. 
  2. (economie), (financieel) waardepapier, zoals een obligatie of een aandeel
    • De topman kreeg een boete voor het niet melden van handel in effecten van het bedrijf. 
  3. afwijking van een bal als gevolg van de draaiing om z'n eigen as
    • De aanvaller haalde met effect uit. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
effect effects

Zelfstandig naamwoord

effect

  1. effect