effectief

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: affectief

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ef·fec·tief
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘wezenlijk’ voor het eerst aangetroffen in 1669 [1]
  • afgeleid van effect met het achtervoegsel -ief [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen effectief effectiever effectiefst
verbogen effectieve effectievere effectiefste
partitief effectiefs effectievers -

Bijvoeglijk naamwoord

effectief [3]

  1. doeltreffend, efficiënt
    • Wij zoeken altijd naar effectievere methodes. 
     De buitenproportioneel grote klokkentoren van rode baksteen met een witte marmeren omgang en een groen puntdak bracht met zijn asymmetrische plaatsing een belachelijk contrapunt aan in de rationele, paradeerbare ruimte, dat juist vanwege het feit dat het concessieloos gewaagd en overdreven was effectief en elegant uitpakte.[4]
  2. reëel, werkelijk
    • Het effectieve vermogen van dit apparaat ligt veel lager dan op de doos vermeld staat. 

Bijwoord

effectief

  1. op effectieve wijze
    • Het effectief handelen van de politie werd door de burgers zeer gewaardeerd. 
  2. daadwerkelijk, in de praktijk
    • Het effectief uitvoeren van de plannen maakte meer indruk op de burgers dan alle eerdere loze beloftes van de regering. 
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen