Naar inhoud springen

oprecht

Uit WikiWoordenboek
  • op·recht
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen oprechtoprechteroprechtst
verbogen oprechteoprechtereoprechtste
partitief oprechtsoprechters-

oprecht

  1. de waarheid sprekend
  2. gemeend, niet gespeeld
     En ik was oprecht blij voor haar: dat ze een nieuwe liefde had gevonden, dat ze weer gelukkig was.[3]
     ' 'Ja, ik heb je dat al eerder horen zeggen, maar ik snap oprecht niet wat er erg aan is,' verzucht Joy.[4]
     Ik was overweldigd door hun vrijgevigheid en oprechte vriendelijkheid.[5]
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[6]
  1. "oprecht" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. oprecht op website: Etymologiebank.nl
  3. Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  4. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  5. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be