once

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Engels

Naar frequentie 359 (bijwoord)

Bijwoord

once

  1. eens

Telbijwoord

once

  1. eens, eenmaal
    «He did not do that once, but twice.»
    Hij heeft dat niet een- maar tweemaal gedaan.

Voegwoord

once

  1. als, eenmaal als
    «Once the handcuffs are on, they will have to obey.»
    Als ze eenmaal in de handboeien geslagen zijn, zullen ze moeten gehoorzamen.


Spaans

Uitspraak
  • IPA: /ˈon.θe/
Woordafbreking
  • on·ce
Telwoord (spa)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400 1012
5 15 50 500 1015
6 16 60 600 1018
7 17 70 700 1021
8 18 80 800 1024
9 19 90 900 1027

Hoofdtelwoord

once

  1. elf