eega

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ee·ga
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord eega eega's
verkleinwoord eegaatje eegaatjes

Zelfstandig naamwoord

eega v/m

  1. (formeel) een echtgenoot of echtgenote
    • Ze besloot niet meer bij haar eega te blijven. 
Vertalingen

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders
80 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl