husband

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse naamwoord húsbóndi.
vervoeging
onbepaalde wijs to husband
he/she/it husbands
verleden tijd husbanded
voltooid
deelwoord
husbanded
onvoltooid
deelwoord
husbanding
gebiedende wijs husband

Werkwoord

husband

  1. (overgankelijk) zuinig beheren, zuinig huishouden met, zuinig omgaan met, zuinig zijn op
    «The country has husbanded its resources well.»
    Het land heeft zuinig huisgehouden met haar middelen.
Naar frequentie 833 (naamwoord)


enkelvoud meervoud
husband husbands

Zelfstandig naamwoord

husband

  1. (familie) echtgenoot, gemaal, man
    «Margret’s husband died last year.»
    Margret's man overleed vorig jaar.
Afgeleide begrippen