durven

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Uitspraak
  • IPA: /ˈdʏr.və(n)/
Woordafbreking
  • dur·ven
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘wagen’ voor het eerst aangetroffen in 1568 [1]
durven

(erfwoord)

Van Germaans *þarf-
Op zijn beurt van Indo-Europees *terp-.
Andere Germaanse talen
Oudfries *thurva, Oudsaksisch thurḅan
Oudhoogduits thurfan (Duits dürfen)
Gotisch *𐌸𐌰𐌿𐍂𐌱𐌰.
Oudnoors þurfa (Zweeds tarva)
Andere Indo-Europese talen
Oudgrieks τερπειν
Slavisch trěbě, Russisch требоватъ.
dorst

(erfwoord)

Van Germaans *ders-
Opzijn beurt van Indo-Europees: dʰers-
Andere Germaanse talen
Oudfries dūra (Fries doare)
Oudhoogduits giturran, Oudsaskisch gidurran,
Angelsaksisch: durran (Engels: dare)
(preterito-praesentium).

Andere Indo-Europese talen

Oudgrieks θαρσειν ‘dapper zijn’.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
durven
durfde
(dorst)
gedurfd
zwak -d

onregelmatig

volledig

Werkwoord

durven

  1. inergatief (vaak ~ te) de moed hebben om iets gewaagds te doen
    • Ik durf dat niet. 
    • Durf je daar echt aan te beginnen? 
    • Daarbij werd niet gedurfd deze vraag goed te beantwoorden. 
  2. inergatief moed tonen
    • Je durft wel, zeg! 
Opmerkingen
  1. De oorspronkelijke betekenis van durven was "hoeven, nodig hebben", met als nevenvorm dorven. In de loop der tijd werd durven verward met dorren, dat "wagen, de moed hebben om" betekent. Beide werkwoorden hadden dezelfde verledentijdsvorm, dorste. De betekenis van het tweede werkwoord ging zodoende over op het eerste.[2]
  2. De vorm "dorst" is in het noorden goeddeels verdrongen door de regelmatig zwakke vorm "durfde".
  3. Het voltooid deelwoord komt weinig voor, meestal wordt het vervangen door de onbepaalde wijs van durven gevolgd door een zelfstandig werkwoord.
    • Ik heb niet durven kijken. 
  4. Lijdende vormen zijn weinig gebruikelijk.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen