durver

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dur·ver
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord durver durvers
verkleinwoord durvertje durvertjes

Zelfstandig naamwoord

durver m

  1. iemand die niet bang is om wat te doen, iemand met lef
    • In dit gedicht is Thomas van kind tot volwassene, van klimrek tot kerktoren, een durver. Ondersteboven kiest hij voor het risico. [2]
Synoniemen

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen