dunken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dunken
docht
(dunkte)
gedocht
(gedunkt)
zwak -cht

zwak -t

volledig
Woordafbreking
  • dun·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: dunken
Oudnederlands: *thunken
Germaans: *þunkijanan
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: think (Angelsaksisch: þyncan), Duits: dünken, (Oudhoogduits: dunken), Oudfries: thinza, thinka
Noord: Zweeds: tycka, Deens: tykkes, Nynorsk: tykkja, (Oudnoords: þykkja), IJslands: þykja, Faeröers: (alleen in de samenstelling) samtykkja
Oost: Gotisch: þugkjan

Werkwoord

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dunken
dunkte
gedunkt
zwak -t volledig

dunken

  1. (onpersoonlijk) (koppelwerkwoord) voorkomen (het oordeel zijn van)
    Dat is, me dunkt, een hele klus.
  2. (sport) (basketball) hoog springen om de bal in de basket te leggen
Opmerkingen

Andere tijden zijn archaïsch:

me docht (arch.)
het heeft mij gedocht (arch.)
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl