Naar inhoud springen

dunken

Uit WikiWoordenboek
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dunken
docht
(dunkte)
gedocht
(gedunkt)
zwak -cht

zwak -t

volledig
  • dun·ken

[A] dunken

  1. onpersoonlijk koppelwerkwoord voorkomen (het oordeel zijn van), als mening hebben
    • Dat is, me dunkt, een hele klus. 
  • In de versteende uitdrukking, "me dunkt", met andere personen, zelden aangetroffen. Andere tijden en zijn archaïsch:
me docht (arch.)
het heeft mij gedocht (arch.)
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dunken
dunkte
gedunkt
zwak -t volledig

[B] dunken

  1. overgankelijk (sport) (basketbal) hoog opspringend de bal in de basket duwen
  • Van het Engelse dunk, benaming voor een score of schot bij het basketbal
94 %van de Nederlanders;
87 %van de Vlamingen.[3]