dunken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dunken
docht
(dunkte)
gedocht
(gedunkt)
zwak -cht

zwak -t

volledig
Woordafbreking
  • dun·ken

Werkwoord

[A] dunken

  1. (onpersoonlijk) koppelwerkwoord voorkomen (het oordeel zijn van)
    • Dat is, me dunkt, een hele klus. 
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: dunken
Oudnederlands: *thunken
Germaans: *þunkijanan
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: think (Angelsaksisch: þyncan), Duits: dünken, (Oudhoogduits: dunken), Oudfries: thinza, thinka
Noord: Zweeds: tycka, Deens: tykkes, Nynorsk: tykkja, (Oudnoords: þykkja), IJslands: þykja, Faeröers: (alleen in de samenstelling) samtykkja
Oost: Gotisch: þugkjan
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Opmerkingen

Andere tijden zijn archaïsch:

me docht (arch.)
het heeft mij gedocht (arch.)
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders
89 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Werkwoord

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dunken
dunkte
gedunkt
zwak -t volledig

[B] dunken

  1. (sport) (basketball) hoog springen om de bal in de basket te leggen
Woordherkomst en -opbouw
  • Van het Engelse dunk, benaming voor een score of schot bij het basketball

Meer informatie