Naar inhoud springen

droevig

Uit WikiWoordenboek
droevige moeder met haar dode zoon op haar schoot
  • droe·vig
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen droevigdroevigerdroevigst
verbogen droevigedroevigeredroevigste
partitief droevigsdroevigers-

droevig

  1. verdriet hebbend
    • De arts troostte de droevige familie na het overlijden van het jonge kind. 
  2. verdrietig gevoel veroorzakend
    • Ik moet altijd huilen bij droevige films. 

droevig

  1. treurig
     ' Het stemde me droevig te horen dat ze het gevoel had dat Henry haar gevangenhield.[2]
    • Zijn vertrek stemt ons droevig, maar hij is een vrij mens en kan gaan en staan waar hij wil.'[3] 
     Anton verzorgt zijn tarwe, dat groeit met een levenskracht die hij soms ontroerend, soms opwindend, soms droevig vindt, maar wordt ineens tegengehouden door een verbijsterende zwartheid.[4]
99 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[5]
  1. droevig op website: Etymologiebank.nl
  2. “Echo's aan het meer” (2026), Kokboekencentrum, ISBN 9789029740210
  3. Herzen, Frank
    De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 115
  4. Samantha Harvey
    “In Orbit” (2024), De Bezige Bij op Wikipedia, ISBN 9789403135625
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be