treurig
Uiterlijk
- treu·rig
- naamwoord van handeling van treuren met het achtervoegsel -ig
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | treurig | treuriger | treurigst |
| verbogen | treurige | treurigere | treurigste |
| partitief | treurigs | treurigers | - |
treurig
- waardig beklaagd te worden
- Dit was een ronduit treurige voorstelling van dit prachtige toneelstuk.
- ▸ Daar loopt ze graag met een glas bier en iets lekkers in haar handen rond, omringd door treurig uitziende vogels en schepsels met heel bijzondere vormen en afmetingen, afkomstig uit Amerika en India, en eerder halfdood dan levend wanneer ze worden tentoongesteld.[1]
- vol treurnis
- Er heerste een treurige stemming.
- ▸ Ze wil niet dat haar vader naar het versleten kleed staart of dat Cornelia, haar oude verzorgster, treurig naar de poffertjes kijkt die ze de hele nacht heeft geperfectioneerd.[1]
- Het woord treurig staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "treurig" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[3] |
- 1 2 Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx“Het huis aan de Herengracht” (2022), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024586332 - ↑ www.parool.nl (25 dec 2025)
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be