vreemdeling

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vreem·de·ling
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘onbekende’ voor het eerst aangetroffen in 1525 [1]
  • Afgeleid van vreemd met het achtervoegsel -ling met het invoegsel -e-
enkelvoud meervoud
naamwoord vreemdeling vreemdelingen
verkleinwoord vreemdelingetje vreemdelingetjes

Zelfstandig naamwoord

vreemdeling m

  1. iemand die uit een ander gebied of land afkomstig is dan het onderhavige
    • De vreemdeling verbleef in een asielzoekerscentrum. 
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Een vreemdeling in Jeruzalem zijn
ergens niet bekend zijn met de gang van zaken of zich ergens niet thuis voelen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen