commandant

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • com·man·dant
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord commandant commandanten
verkleinwoord commandantje commandantjes

Zelfstandig naamwoord

commandant m [2]

  1. (militair) (beroep) iemand die commandeert (het commando heeft over een leger of vloot)
    • De commandant gaf het sein om de aanval te beginnen. 
    • Omdat ze een vrij klassiek beeld had van de oorlog was ze er snel van overtuigd dat Albert 'met zijn intelligentie' na korte tijd zou uitblinken, promotie zou maken en ze zag hem al in de voorste linie in de aanval gaan. Ze stelde zich voor dat hij een heldendaad verrichtte, meteen officier werd, kapitein, commandant of meer nog, generaal, die dingen gebeuren tijdens de oorlog. [3] 
  2. (beroep) iemand die de leider is van een groep politieagenten of brandweerlieden
    • De commandant gaf het sein brand meester! 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. commandant op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Lemaitre, Pierre "Tot ziens daarboven" 2014 ISBN 9789401601931 pagina 17
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Frans

Werkwoord

commandant

  1. tegenwoordig deelwoord (participe présent) van commander