koeioneren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • koei·o·ne·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bedillen’ voor het eerst aangetroffen in 1682 [1]

Werkwoord

koeioneren

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
koeioneren
koeioneerde
gekoeioneerd
zwak -d volledig
  1. op een vervelende, vernederende manier de baas spelen
    • Even lijkt het erop dat Simone wraak neemt op de mannen die haar koeioneren. Zo klaagt Peter keer op keer op neerbuigende wijze dat ze niet kan koken. Maar helaas zit dat er niet in. (André Waardenburg NRC 4 juni 2015) 

Gangbaarheid

69 % van de Nederlanders;
79 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen