bursa

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Bursa


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bur·sa
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bursa bursa's
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bursa v

  1. (religie) (katholiek) houder, bestaande uit twee kartonnetjes met textiel bespannen waartussen de gewijd linnen doek wordt bewaard zowel vóór en na het gebruik daarvan op het altaar tijdens de eucharistieviering
    • Ten tweede: wat betreft de "bursa": als hij ontbreekt, dan worden ze vervangen door de grote tienden ofwel degenen die de grote tienden bezitten moeten ze herstellen of nieuwe leveren. 
    • In de collectie van het Bisschoppelijk Museum van 's-Hertogenbosch bevindt zich een uit de kerk van Wamel afkomstig driestel, met koorkap, twee stola's, drie manipels en een bursa, (…). [2]
  2. (religie) (katholiek) buidel of foudraal om een heilig voorwerp in te vervoeren
    • In Noordwest-Europa zijn reliekhouders uit deze periode zeer zeldzaam. (…) Vooral de bursa, een beursvormige reliekhouder, was in deze periode zeer populair. [3]
    • Men zag zeker vol eerbied op naar het H. Sacrament; het is iets heiligs, ver verheven boven Evangelieboeken en relikwiën; het is een zekere bescherming in gevaar; als men eene gevaarlijke reis onderneemt, draagt men het H. Sacrament als een schutmiddel op de borst in een bursa; als de oude oom pastoor met het bekeerde Marieken van Nijwegen vlucht naar den bisschop van Luik, dankt de vrome man aan het H. Sacrament de bescherming tegen de aanvallen van den duivel. [4]
  3. (verouderd) internaat bij een hogere opleiding, dat door een schenking is ontstaan
    • Glareanus bestierde een privé-internaat (bursa) in Bazel. [5]
    • Zij zou vier faculteiten hebben: van godgeleerdheid, van rechtsgeleerdheid, van geneeskunde, van letteren en fraaie kunsten, en gevestigd zijn in het ten jare 1580 ontruimde kruisbroederen-klooster met aanhoorigheden, welke het stedelijk bestuur van Franeker kosteloos afstond met en benevens het oud-stadhuis, dat bestemd werd tot bursa, eene inrichting, waar zij, die op 's Lands kosten studeerden, geheel om niet, weinig bemiddelde studenten voor een matigen prijs verpleegd zouden worden. [6]
  4. (anatomie) met slijm gevulde holte waarin spieren, pezen of gewrichten zich met weinig wrijving kunnen bewegen
    • De ontstoken bursa bevat vaak wat bloed, wat tot een aseptische ontsteking leidt. [7]
    • Test na de injectie of de bursa minder gevoelig is en of de pijn nog geprovoceerd kan worden bij actief bewegen van het been. [8]
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen


Oudhoogduits

Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Germaanse zelfstandige naamwoord *burusí

Zelfstandig naamwoord

bursa, v

  1. (gereedschap), (tuinieren) schoffel
  2. (gereedschap), (tuinieren) spade
  3. (gereedschap), (kunst) graveerijzer
  4. een scherp mes
Verbuiging
  • v (jó?, ó?), sterk
Synoniemen
Opmerkingen


Spaans

enkelvoud meervoud
bursa bursas

Zelfstandig naamwoord

bursa v

  1. (medisch), (anatomie) slijmbeurs