bizon

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
bizon

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bi·zon
enkelvoud meervoud
naamwoord bizon bizons
verkleinwoord bizonnetje bizonnetjes

Zelfstandig naamwoord

bizon m

  1. (zoogdieren) Bison bison, wilde buffel, vrij zwaar rund met brede massieve gehoornde kop
    • Omstreeks 1830 zwierven er waarschijnlijk 40 tot 60 miljoen bizons door de uitgestrektheid van Noord-Amerika. Toen begon de grote slachtpartij. Een tactiek van het leger van de VS in de strijd tegen opstandige indianen. Jagers die bizons afschoten verdienden niet alleen geld met het vlees, maar werden bovendien beloond met premies. In 1898 waren er minder dan 1.000 van deze dieren over. [1] 
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Tsjechisch

Uitspraak
  • IPA: /bɪzɔn/
Woordafbreking
  • bi·zon

Zelfstandig naamwoord

bizon m

  1. (zoogdieren) bizon
Afgeleide begrippen