bikini

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Bikini
Een jonge vrouw in bikini.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bi·ki·ni
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘tweedelig badpak’ voor het eerst aangetroffen in 1952 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord bikini bikini's
verkleinwoord bikinietje bikinietjes

Zelfstandig naamwoord

bikini m

  1. (kleding), (zwemmen) tweedelige zwemkleding voor de vrouw
    • Ze trok alle aandacht in haar bikinietje. 
Hyponiemen
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
Woordafbreking
  • bi·ki·ni
Woordherkomst en -opbouw
  • Het woord 'bikini' is een door de bikiniontwerper Louis Réard (1897-1984) bedachte naam, benoemd naar de atol Bikini. De Franse ontwerper introduceerde de bikini, gedragen door Micheline Bernardini, in Parijs op 5 juli 1946, vier dagen na de eerste atoomproeven door de Verenigde Staten van Amerika op de atol Bikini bij de Marshalleilanden.
Naar frequentie 13613
enkelvoud meervoud
bikini bikinis

Zelfstandig naamwoord

bikini

  1. (kleding), (zwemmen) bikini
Hyponiemen
Verwante begrippen


Italiaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • bi·ki·ni

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
bikini bikini

bikini m

  1. (kleding), (zwemmen) bikini
Synoniemen
Verwante begrippen


Turks

Uitspraak
Woordafbreking
  • bi·ki·ni
enkelvoud meervoud
nominatief   bikini     bikiniler  
genitief   bikininin     bikinilerin  
datief   bikiniye     bikinilere  
accusatief   bikiniyi     bikinileri  
locatief   bikinide     bikinilerde  
ablatief   bikiniden     bikinilerden  

Zelfstandig naamwoord

bikini

  1. (kleding), (zwemmen) bikini