monokini

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

[1] originele monokini uit 1964
Uitspraak
Woordafbreking
  • mo·no·ki·ni
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘bikini zonder bovenstuk’ voor het eerst aangetroffen in 1964 [1]
  • afleiding naar analogie van bikini met het voorvoegsel mono- [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord monokini monokini's
verkleinwoord monokinietje monokinietjes
[2] bikini waarbij boven- en benedendeel met elkaar zijn verbonden

Zelfstandig naamwoord

monokini m [3]

  1. (kleding) bikini zonder bovenstuk
    • "De hel, dat is het Heineken Huis."Je traint tientallen jaren om als zwaantje in een gymzaal te hangen, met meer kans op geen medaille dan wel, terwijl het ware goud op het strand van Copacabana gewillig in een te kleine monokini naar je smacht met een caipirinha in haar hand.[4] 
  2. (kleding) bikini waarbij boven- en benedendeel met elkaar zijn verbonden
    • Jasmijn: **** Deze variant op het badpak blijft prima zitten. Sandra: *** Hangt een beetje af van het soort monokini, maar de meeste zijn swim proof.[5] 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen