bekennen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
bekennen tijdens de biecht

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
bekennen bekennend
bekentenis bekend
Uitspraak
Woordafbreking
  • be·ken·nen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bekennen
bekende
bekend
zwak -d volledig

Werkwoord

bekennen

  1. overgankelijk iets laak- of strafbaars toegeven
    • Na een langdurig verhoor bekende hij de moord gepleegd te hebben. 
    • Zij bekende haar zonden tijdens de biecht. 
  2. niet te ~ zijn: ontbreken, niet te vinden zijn
    • We dachten hem daar aan te zullen treffen, maar hij was in geen velden of wegen te bekennen. 
  3. (Bijbel) (seksualiteit) seksuele omgang hebben met
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl