kennen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ken·nen
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: kennen
Oudnederlands: kennen
Germaans: *kannijanan
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: ken (Angelsaksisch: cennan), Duits: kennen, (Oudhoogduits: kennen), Fries: kenne (Oudfries: kenna)
Noord: Zweeds: känna, Deens: kende, Noors: kjenne, (Oudnoords: kenna), IJslands/Faeröers: kenna
Oost: Gotisch: kannjan
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kennen
kende
gekend
zwak -d volledig

Werkwoord

kennen

  1. overgankelijk bekend, vertrouwd zijn met
    • Ken je de nieuwe overburen al? 
  2. overgankelijk door studie of oefening geleerd hebben
    • Ik ken de leerstof grondig genoeg. 
  3. het wel moeten ~: vaak ergens door getroffen worden
    • Je hebt het de laatste maanden wel moeten kennen, zeg! Eerst die ziekte, nu weer dat ongeluk! 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: Ik kende geen els uit een eik.
Ik kon geen els van een eik onderscheiden.
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.


Duits

Werkwoord

kennen

  1. kennen